Adviezen voor het geestelijk leven

Starets Johannes Krestjankin

Nederlandse vertaling: Marian Nieuwenhuis.
Uitgeverij Iveron, Almere, 2008.
272 bladzijden
ISBN 978-90-813315-1-7

Prijs: €14.00

Boekhandelkorting: € 4.00

Het boek is te bestellen: stichting.iveron@gmail.com

Enkele uitspraken van starets Johannes (Krestjankin):

“Wij hebben van de Heer het gebod van de liefde voor de mensen, voor onze naasten gekregen. Maar wij moeten ons niet druk maken of zij ons wel of niet liefhebben. Wij hoeven er alleen voor te zorgen dat wij hen liefhebben.”

“Probeer zelf maar eens, al is het maar één dag, aandachtig te leven en op jezelf te letten. Wie ben je eigenlijk? Leer eerst jezelf kennen en probeer dan maar eens één enkele dag tegen de zonde te strijden. Je zult zien, hoe moeilijk dat is en als je daar achter bent, dan zul je leren begrip te tonen voor menselijke zwakheden en niemand meer oordelen.”

“Wanneer mensen zonder God leven, dan verandert het leven in een hel, en daarna volgt nog de hel voor de eeuwigheid. U moet vanaf nu leven volgens andere wetten, volgens de goddelijke geboden. Door middel van geduld moet u het kwaad overwinnen dat rondom heerst. Alleen dit geduldig volharden in de waarheid, de bevestiging van uw geloof en de hoop op God door het leven zelf, zal goede vrucht geven. Wat heeft het voor zin zichzelf een christen te noemen, terwijl men leeft als een heiden? Bid in het verborgene voor uw naasten en overwin het kwaad door liefde en medelijden met hen. Moge de Heer u wijsheid schenken.”

Inleiding door de uitgever: vader Sergi Merks

In deze tweede uitgave van Uitgeverij ‘Iveron’ staat de persoon van Archimandriet Johannes Krestjankin, de in 2006 overleden bekende ‘starets’ van het Holenklooster in Pskov centraal. Naast een uitvoerige persoonsbeschrijving in historisch perspectief en herinneringen aan hem van twee van zijn geestelijke kinderen, nu abten van beroemde kloosters, vindt u in dit boek een bloemlezing van zijn geschriften, die hiermee voor de eerste maal in het Nederlandse taalgebied worden uitgegeven. In Rusland mogen met name zijn uitgegeven brieven zich de laatste jaren in een grote populariteit verheugen en het is daarom een bijzondere gebeurtenis dat nu ook de Nederlandstalige lezer kennis kan nemen van zijn spirituele inzichten en zijn geestelijke raadgevingen. Met een typisch traditioneel Russisch-Orthodoxe gestrengheid richt hij zich tot de moderne Russische mens op het breukvlak van de 20e en 21e eeuw, die als gevolg van 75 jaar staatsatheïsme en de daaropvolgende enorme sociale en politieke omwentelingen van de laatste decennia spiritueel op drift is geraakt. In het bijzonder onderkent hij ook de problemen van de Russische Kerk zelf, die binnen 15 jaar van een onderdrukt maatschappelijk randverschijnsel is uitgegroeid tot een machtig religieus bolwerk in het centrum van de nieuwe Russische samenleving. Want de spirituele ontwikkeling binnen de Kerk kon onmogelijk gelijke tred houden met deze uiterlijke expansie. En het is precies deze problematiek die doorklinkt in zijn geschriften en brieven en soms ontwaren wij bij hem een lichte heimwee naar de sovjettijd, toen de Kerk nog voornamelijk bestond uit overtuigde orthodoxen die tegen de stroom in en vaak met persoonlijk risico van hun geloof getuigden en als vanzelfsprekend leefden volgens de oude kerkelijke tradities. Maar vader Johannes ging deze problemen niet uit de weg en hij trok zich niet terug in zijn cel, integendeel, de laatste jaren van zijn leven heeft hij geheel ten dienste gesteld van deze miljoenen nieuwe gelovigen. En de duizenden die zich tot hem wendden: leken, monniken*, monialen* en priesters, waaronder vele voormalige atheïsten en overtuigde sovjetburgers, stond hij met raad en daad terzijde.

Men zou zich kunnen afvragen of deze teksten van een strenge orthodoxe monnik, geschreven binnen een specifiek Russische kerkelijke en historische context, de Westerse mens en zelfs de Westerse orthodoxen wat te zeggen zouden hebben. Ik denk dat men na lezing van dit boek deze vraag met een volmondig ja zal kunnen beantwoorden. Want de spirituele ontreddering in West-Europa is inmiddels vele malen ernstiger dan die in Rusland en wij ontberen node geestelijk leiders als vader Johannes om ons zo nu en dan geestelijk door elkaar te schudden en ons leven in een ander perspectief te plaatsen dan dat van het ons omringende Westerse christendom, waarin een ‘softe’ opvatting van de christelijke liefde en een streven naar wereldse genoegzaamheid, een leven in vrede en rust, het vluchten voor ziekte en ongemak en het moeiteloos accepteren van de zonde de boventoon voeren. Wat voor een verfrissende ervaring is het niet om vader Johannes ons als het ware vanaf het papier toe te horen roepen: “Er bestaat helemaal geen vrede! Er is nooit vrede. De Heer heeft de wereld geen vrede gebracht, maar het zwaard. Dit zwaard des Heren klieft tot op het bot; alleen in geloof, alleen met God en in God vinden wij rust en vertroosting en kunnen wij gebeurtenissen interpreteren.”

Want vanuit dit heldere oerchristelijke perspectief beschouwt vader Johannes de problemen van deze tijd en probeert hij zijn geestelijke kinderen op het juiste spirituele spoor te zetten. En hij doet dit op een zodanige patristiek onderbouwde en begeesterende wijze dat men in hem een ware ‘starets’ heeft herkend.

Het begrip starets is al heel oud in de Orthodoxe Kerk en bestaat al vanaf het ontstaan van het monnikendom. Een starets is meestal een wat oudere monnik die een lange weg van zware ascese, eenzaamheid en constant innerlijk gebed achter zich heeft om zo God het meest nabij te komen, en die vervolgens jonge monniken, of ook wel leken onder zijn geestelijke hoede neemt. Zijn opgave bestaat voornamelijk uit het leiding geven aan en sturen van het geestelijk leven van de nog onervaren novice, om hem zo veilig langs alle gevaren en verleidingen van het dagelijks leven te loodsen. Gevaren en verleidingen die hij zelf ook eens met de hulp van een starets heeft moeten overwinnen. Ook vreemden die van buiten het klooster komen, geeft hij goede raad om hen voor geestelijke verwarring te behoeden.

Dit alles gebeurt echter niet op een vrijblijvende manier. De starets is als het ware het geestelijk hart van zijn leerlingen. Hij is de verpersoonlijking van hun wil tot religieuze en morele vervolmaking. Zo gauw iemand een starets als geestelijk leidsman kiest, laat hij zich in spiritueel opzicht geheel door hem leiden. Openhartigheid, gehoorzaamheid, deemoed en oprechtheid van de kant van de leerling; en hartelijkheid, liefde en een rechtvaardige gestrengheid van de kant van de leidende starets vormen tezamen de voorwaarden voor een verhouding die doorstraald moet zijn van een in beiden levende goddelijke liefde. Van groot belang is ook dat de starets niet zijn eigen wil oplegt aan zijn leerling, maar de wil van God. Daarom moet hij over een groot geestelijk onderscheidingsvermogen beschikken. Daarbij staat de starets altijd geheel in de kerkelijke leer en is zijn functioneren onlosmakelijk verbonden met de orthodox-monastieke traditie van het innerlijk gebed of het ‘Jezusgebed’, zoals dat door de Griekse patristiek theologisch wordt ondersteund.

Het interessante van een starets is, dat hij geen enkele officiële kerkelijke functie bekleedt. Hij functioneert geheel buiten de kerkelijke hiërarchie om, wordt door niemand benoemd en is aan niemand verantwoording schuldig dan alleen aan God. In principe kan iedereen starets worden. Zoals gezegd zijn de meeste startsen oude monniken, vaak niet eens priesters, maar we kennen ook staritsa’s, vrouwelijke startsen in de vrouwenkloosters, getrouwde priesters en zelfs lekenstartsen. Ook bisschoppen en archimandrieten kunnen starets zijn. Starets wordt je alleen door je innerlijke geestelijke vervolmaking en de herkenning en erkenning door de orthodoxe gelovige. Dat heeft vaak tot gevolg gehad dat het startsendom door de kerkelijke overheid met wantrouwen is bejegend en regelmatig werd tegengewerkt.

In Rusland kwam het startsendom tot een ongekende bloei in de negentiende eeuw en verkreeg daar zelfs een belangrijke maatschappelijke dimensie. Een eeuw eerder had de Russische heilige monnik Païssi Welitsjkovski het Griekse patristieke erfgoed van de berg Athos meegenomen naar zijn nieuwe klooster bij Dragomirna in Moldavië, waar hij zelf fungeerde als starets voor zijn vele leerlingen, die hem eveneens hielpen met de vertaling van de meegenomen Griekse teksten in het Russisch, later bekend onder de naam ‘Filokalia’. Vanuit Moldavië trokken zijn leerlingen verder naar Rusland en verspreidden daar de Griekse patristiek (die in Rusland in onbruik was geraakt ten gunste van de Westerse scholastiek), het beoefenen van het ‘Jezusgebed’ en de praktijk van het startsendom. Vanuit deze beweging ontstond begin negentiende eeuw onder andere het beroemde klooster van Optina Poestyn, waar achtereenvolgens de bekende startsen Leonid, Makarius en Ambrosius werkzaam waren en hun invloed over de muren van het klooster heen in het Russische maatschappelijke leven deden gelden. In de tijd van starets Makarius, een fijngevoelige intellectueel, begon de hele Russische intelligentsia naar Optina te pelgrimeren om daar de geestelijke diepte te vinden die zij misten in de Westerse filosofie en de diverse sociale bewegingen. Onder hen bevonden zich ook de schrijver Nikolaj Gogolj en de denker Kirejevski die de veelzeggende woorden schreef: “Wezenlijker dan alle boeken en iedere vorm van kennis is het een heilige starets te vinden die een geestelijk leider kan zijn, aan wie je al je gedachten kunt meedelen en van wie je niet zijn eigen meer of minder verstandelijke mening te horen krijgt, maar het oordeel van de heilige Vaders – zulke startsen zijn er God zij dank nog in Rusland!” De meest beroemde starets van Optina werd Ambrosius, naar wie Dostojevski nog pelgrimeerde en die hem vervolgens als voorbeeld nam voor de starets Zosima in zijn roman ‘De Gebroeders Karamazov’.

Op deze wijze oversteeg het startsendom in Rusland zijn kloosterlijke functie en werd het een onlosmakelijk deel van het gehele kerkelijke en maatschappelijke leven en de volksvroomheid. Zelfs oude boerenvrouwtjes stonden bij de startsen in de rij om raad te vragen over hun dagelijkse praktische problemen.

De opkomst van deze spirituele beweging ‘van onderop’, die door de kerkleiding met argusogen werd bekeken, werd echter wreed verstoord door de revolutie van 1917, toen binnen enkele decennia bijna de gehele Kerk en het typisch Russische kerkelijke leven werden vernietigd. De startsen verdwenen één voor één in de gevangenissen en de kampen, werden verbannen of vermoord en konden slechts in het grootste geheim hun werk voortzetten. Als door een wonder zijn er gedurende de gehele sovjetperiode startsen blijven bestaan die deze kerkelijke traditie levend hebben kunnen houden. Hun ascese bestond nu niet meer uit een teruggetrokken leven in eenzaamheid maar in het geestelijk verduren van de alomtegenwoordige sovjetwerkelijkheid: de voortdurende treiterijen en tegenwerkingen van de sovjetoverheid, het ondergaan van jarenlange gevangenisstraffen in verafgelegen kampen en wrede martelingen. Het leven van vader Johannes is exemplarisch voor deze vorm van voorbereiding op het geestelijk leiderschap.

Vader Johannes kent als geen ander de problemen van degenen die zich tot hem richten, maar toch behoudt hij zoals gezegd een typisch orthodoxe gestrengheid en wijkt hij niet af van de Grieks-patristieke geest, waarop de orthodoxe leer en moraal is gegrondvest. Want ook hij weet dat dit de enige weg tot geestelijke redding is, een geestelijke redding die hij zelf heeft mogen ervaren gedurende zijn eigen turbulente leven. Maar tegelijkertijd weet hij dat je de mens niet van je moet vervreemden door hem met een religieuze rechtlijnigheid tegemoet te treden en eisen te stellen waaraan hij nog niet kan voldoen. Hij was altijd de wijze woorden van de heilige Efraïm de Syriër indachtig: “Broeder, is u een ziel toevertrouwd, omgord dan de lendenen als een man, want u heeft een zware strijd te strijden… Verlang niets van uw leerling dat u zelf niet waar kunt maken en leg hem niet een al te zware last op de schouders. Bedenk als een wijs leidsman, hoe u zelf eens ondergeschikt bent geweest aan uw meerdere en leidt zo uw geestelijk kind stap voor stap op weg naar de ware ascese.”

Daarnaast legt hij de vinger op een zwakke plek in het hedendaagse startsendom, namelijk de rol van de menselijke vrijheid in de relatie tussen de geestelijk vader en zijn leerling. Sommige (pseudo)startsen en onervaren geestelijke vaders buiten de kloosters eisen van hun leerlingen een absolute gehoorzaamheid en het afzweren van de eigen wil, terwijl er ook veel geestelijke kinderen zijn die maar al te graag hun leven in de handen van hun geestelijk vader leggen om zo van hun eigen verantwoordelijkheden af te zijn. Dit thema werd al op grootse wijze uitgewerkt door Dostojevski in zijn verhaal ‘De Grootinquisiteur’, maar ook de bekende hedendaagse Griekse theoloog Yannaras waarschuwt voor dergelijke opvattingen binnen de Orthodoxie in zijn beroemde boek met de veelzeggende titel: ‘De Vrijheid van de Moraal’: “De mens identificeert zichzelf met een autoriteit buiten hem, zodat hij veilig is voor zijn eigen zelf en de vragen die zich aan hem opdringen.”

Ook vader Johannes is hier zeer duidelijk in. Voor hem staat de vrije wil centraal, die door God aan ieder mens is gegeven: “God neemt niemand de gave af, waarmee Hij onze sterfelijke ziel heeft beloond – haar vrije wil.” Vooral in zijn brieven wijst hij op de eigen verantwoordelijkheid van de gelovige. “Leeft een vader soms in plaats van zijn eigen kind?” En: “God heeft aan elke mens persoonlijke vrijheid geschonken, daarom moet je dus zelf niet naar slavernij streven, maar juist de vrijheid van jezelf en anderen leren waarderen!” De verhouding tussen een geestelijk vader en zijn geestelijke kinderen is altijd wederzijds. Natuurlijk accepteert het geestelijk kind de wijze raad van zijn vader, maar dat doet hij in vrijheid binnen een vertrouwensrelatie die hij ook in vrijheid is aangegaan en in het besef dat de raad van de geestelijk vader altijd de beste weg is voor zijn eigen geestelijke vervolmaking. Of, zoals vader Johannes het in simpele bewoordingen aan iemand schrijft: “Een geestelijk vader is voor u alleen een helper, een raadgever en voorbidder, die zijn zegen geeft aan een voorstel dat van uzelf komt.”

Een ander terugkerend thema in zijn brieven is de keuze tussen de wereld of het klooster, waarmee vele van zijn leerlingen worstelen. De Orthodoxie legt, in tegenstelling tot het Katholicisme, niet zozeer de nadruk op een kerkelijke tweedeling naar ‘leken’ en ‘geestelijkheid’, maar op een tweedeling naar een ‘solitair leven in het klooster’ en het ‘gehuwde leven in de wereld’. Zo zegt vader Johannes: “De Heer heeft immers twee wegen gezegend: die van het gezin en die van de monnik: de weg alleen. Beide wegen hebben hun kruis. Kies dus uit welk kruis beter bij je past voor je redding.”

Vader Johannes kende zelf zowel het leven in de wereld als het leven in het klooster en hij wist uit eigen ervaring dat de moeilijkheden in het klooster even zwaar waren als die in de wereld. De weg voor de christen is er altijd een vol moeite en leed, het is een weg van voortdurende strijd tegen de verleidingen om zo de geestelijke vervolmaking te verkrijgen, de vergoddelijking (theosis), het herstel van het beeld en de gelijkenis met God. Hij waarschuwt de mens dan ook om het klooster niet als een spiritueel toevluchtsoord te zien, want “in de wereld gaat niet iedereen verloren en in het klooster worden niet allen gered.” In het huwelijk en het gezin ligt een even grote spirituele christelijke levensopdracht als in het kloosterleven. Deze doen niet voor elkaar onder. Hierin is vader Johannes zeer stellig en in vaak harde bewoordingen en met een grote beslistheid wijst hij in zijn brieven op de verantwoordelijkheid van de mensen voor hun echtgenoot en kinderen en praat hij hun een vlucht in het kloosterleven uit het hoofd als verraad aan een eerder gedane belofte. En met een nog grotere gestrengheid wijst hij de monnik terecht die het klooster verlaat en zijn beloften niet gestand doet. “Beide vormen heeft God gezegend, maar wie zijn weg eenmaal gekozen heeft, moet niet tweeslachtig blijven zwalken tussen de wereld en het klooster.”

Twee andere thema’s die in de geschriften van vader Johannes een grote rol spelen en die voor de Westerse mens nog het moeilijkst te begrijpen zijn, zijn de orthodoxe opvattingen over lijden en ziekte en die over de gerechtigheid, beide gezien in het licht van de Goddelijke Voorzienigheid.

Er wordt vaak gezegd dat het Westers christendom meer op de wereld is gericht en het Oosters christendom meer op de hemel, of liever gezegd het eeuwige leven. Hoewel deze uitspraak op het eerste gezicht nogal ongenuanceerd aandoet en niet geheel recht lijkt te doen aan beide vormen van christendom, blijkt steeds opnieuw in de praktijk welk een diepe waarheid in deze woorden besloten ligt. Zo ook als het gaat om deze twee thema’s, die in het Westen voornamelijk nog maar vanuit een werelds perspectief worden beschouwd. De eerste reactie van een westerling op zijn ziekte is in bijna alle gevallen: Waarom moet mij dit nu overkomen (en waarom niet een ander, lijkt hij hiermee te zeggen!) en zijn tweede reactie is de twijfel aan God: Hoe kan er een God bestaan als Hij dit toelaat? En vervolgens stelt hij al zijn vertrouwen in de medische wetenschap. En als die niet meer kan helpen, dan is er voor sommigen altijd nog de weg van de euthanasie om het lijden te kunnen ontlopen!

En wederom draait vader Johannes dit beeld radicaal om wanneer hij zegt: “God laat ziektes toe, die tevens het goede in ons bevorderen. Zij remmen onze krankzinnige wedloop in dit leven af; ze dwingen ons na te denken en hulp te zoeken. Meestal baat menselijke hulp niet, die raakt snel uitgeput en dan keren wij ons tot God.” In het orthodoxe denken wordt altijd een duidelijk verband gelegd tussen lijden, ziekte en dood en de zonde van de mens. Met de zonde (het zich afkeren van God, door misbruik te maken van onze vrije wil) zijn lijden, ziekte en dood ons deel geworden en zijn wij uit het Paradijs verjaagd, waarvoor wij eigenlijk geschapen waren. Zolang wij als mensen in zonde leven zal het menselijk geslacht zonder aanzien des persoons door lijden en ziekten geplaagd worden, maar wanneer wij de zonde overwinnen, zullen ook lijden, ziekte en dood overwonnen zijn en zal het Paradijs weer ons deel worden. Eigenlijk is dit in het kort de hele christelijke boodschap en is Christus zelf, die als de meest onschuldige mens het zwaarste lijden heeft moeten ondergaan, waarmee Hij de dood heeft overwonnen, het ultieme voorbeeld van de weg, die wij allen moeten gaan. Want uiteindelijk is het wereldse kruis niets anders dan de hemelse vreugde. En daarom schudt God ons voortdurend door elkaar. “Ziekten zijn het kruis dat dié zonden verbrandt, die wij als dusdanig niet onderkennen”, zegt vader Johannes, “iedere christen zal door die smeltkroes heen moeten om de eenvoudige reden, dat er geen mens bestaat die leeft en niet gezondigd heeft. Daarom bestaan er ziekten.” En hij voegt er de wijze raad aan toe: “Bid niet dat de ziekten verdwijnen, maar dat je ze op de juiste manier mag leren waarderen en aanvaarden!”

Zo is het ook met de gerechtigheid. In het Westen is men voornamelijk op zoek naar de wereldse gerechtheid en heeft men de goddelijke gerechtigheid bijna geheel uit het oog verloren. Het is enkel aan de mens om te oordelen en te straffen. Hele tribunalen worden er georganiseerd om de zogenaamde menselijke gerechtigheid te doen zegevieren. Maar bij wie ligt de uiteindelijke macht, vraagt vader Johannes zich af: “De bestuurders van de staat; of het nu ‘democraten’, communisten of anderen zijn, hebben die kracht en macht? Er bestaat immers geen macht die niet van God is! (…) Op Gods bevel verlaten zowel heiligen als zondaars het slagveld; zij die hebben opgebouwd en zij die hebben verwoest. Moeten u en ik dan een oordeel vellen over hoe zij leefden? Nee, en nogmaals nee!”

Alles wat er gebeurt, ligt besloten in de Goddelijke Voorzienigheid; zowel de rechtvaardigen als de beulen spelen daarin hun eigen rol. “Hoe vaak wordt wat voor ons verhitte verstand op een fout lijkt, op Gods bevel te zijner tijd geopenbaard als een heilige daad en de dader bekroond met een krans? Het is uiteindelijk God die over een ieder zal oordelen op het moment dat het Hem goeddunkt. En iedereen kan te allen tijde door een oprecht berouw worden gered. Min of meer schertsend zegt vader Johannes: “Als iemand bij God, door Zijn barmhartigheid, allang een schone lei heeft, blijven wij maar aan zijn zonden denken en hem erom veroordelen.”

Wij hoeven niet bang te zijn dat iemand zijn gerechte straf ontloopt, “alle menselijke fouten – de mijne, de uwe, (…) die van onze heilige Patriarch – komen voor Gods gericht. Maar Gods gericht is anders dan het menselijke.”

Het is ook interessant om te zien dat er na de ineenstorting van het communisme juist in de orthodoxe landen nooit tribunalen zijn georganiseerd om de beulen van weleer op te pakken of te berechten. Met name ook in de Orthodoxe Kerken is er over bijna niemand een oordeel geveld in verband met zijn verleden in het communistische tijdperk. Het besef dat God uiteindelijk zal oordelen en dat de geschiedenis zijn onontkoombare loop heeft, is zo diep in het orthodoxe kerkelijke denken verankerd dat de vergeving altijd prevaleert boven de haat.

Het meest ontroerende feest in de Orthodoxe Kerk is dan ook de zondag vóór de Grote Vasten: ‘Vergevingszondag’, waarop een ieder na de dienst aan de ander vergeving vraagt voor zijn zonden en voor datgene wat hij de ander heeft aangedaan en vervolgens de ander vergeving schenkt, want wij zijn tenslotte allen medeschuldig aan het feit dat wij uit het Paradijs verdreven zijn, het Paradijs waarnaar wij zo hevig terugverlangen. En het zijn juist mensen als vader Johannes die in hun geestelijke leiding ons proberen op die juiste weg terug te brengen, een weg die geleid wordt door de goddelijke logica en niet door de menselijke. Wij kunnen dan ook samen met de negentiende-eeuwse Russische denker Kirejevski verzuchten: “Zulke startsen zijn er God zij dank nog in Rusland!”